Waaien

Een krant. Niet één vel, een dik pak papier koos het luchtruim. Het werd opgetild, bruut neergesmeten, weer gepakt en meters verder tegen een huis kapotgeslagen. Woorden dwarrelden omhoog, hun onvermijdelijk sterven tegemoet.

Mijn haar zat in de war.

Vlucht

Ogen van kraal tuurden in het niets. Een licht gekromde snavel schraapte over de tegels, een snerpend knarsen in de wind. De kop schuin, alsof het zocht naar het juiste moment. Dan: een vlaag van windstilte, een leegte in de lucht. Vleugels klapwiekten gracieus tegen het lichaam. En nergens het bewijs dat er ooit iets was geweest.

Schemer

Het was alsof het land werd bedekt door een waas van ondoorzichtigheid; nu nog poreus, maar dat zou niet lang meer duren. De hemeldeken werd over de aarde getrokken, nog voor de zon zijn houvast aan de einder verloor. Zonder goddelijke tussenkomst zou het donker de wereld verzwelgen, precies zoals het dat altijd had gedaan. Wat restte was het zwart.

Verduistering

Zij komen nader tot elkaar. Vaak zweven wij tussen hen in, gevangen in de leegte van het niets, maar niet vandaag. Zij zullen samensmelten – voor het oog althans. De nacht verstikt de dag. Een moment van duisternis, een middag in het donker. Dan laten zij los en is alles zoals het altijd is geweest. Zij daar, en zij daar. En wij ertussenin.

Zee

Naakt ligt ze voor je. Kwetsbaar, maar daardoor ontelbaar keer sterker dan jij. Zij komt, zij gaat, zij komt, zij gaat, maar jij blijft; loslaten kun je haar nimmer. Zij, met haar eeuwige dans, die al bestond voor jij wist dat bestaan bestond. Zij, als Eva, als de bron van al het leven. Zij, met haar lange armen die het strand afgraven en zij, met haar tomeloze, onpeilbare diepten. En jij? Jij kan alleen verzwelgen.

Hetzelfde

Wanneer de zon haar stralen door een kier in de gordijnen naar binnen drukt, dan ontwaken wij samen, verstrengeld, ineen als één, dan wachten wij nog een moment voor wij ons laten meevoeren door de draaiing van de aarde, zwevend in het niets, tussen droom en werkelijkheid, en dan weet ik: ik voel precies hetzelfde als jij.

Alleen iets minder.

Zinloos

‘Als er elke seconde iemand wordt geboren, en elke seconde iemand sterft, bewijst dat niet perfect dat het leven zinloos is?’ vroeg ze.

Ik knikte, keek in haar ogen en wist meteen: zinloos bestaat niet.

Morgen

En als jij daar ligt, je handen in de nek gevouwen, je ondergoed op de enkels, besmeurd met miljoenen lichamen die zich aan de huid rond je navel vastklampen, je borst hijgend op en neer, dan prik ik mijn gesp door het gat en kijk ik nog even, heel even, voor ik het besef.

Morgen ben je weer van hem.

Onweer

Een zwarte zwaan laat zich geruisloos over de golven tillen. Het water kabbelt, constant in beweging, maar altijd op dezelfde plaats, gevangen tussen de oevers van de beek. De dreiging begint als een schier onzichtbare flits – nauwelijks waar te nemen, maar juist daardoor het ultieme gevaar. Zij duikt en komt weer boven. Zelfs geen alg.

Even is daar een sereniteit die niet kan bestaan. Dan vult de atmosfeer zich met een geluidsgolf, zo krachtig, zo diep, een rollende tsunami die alles op zijn pad verslindt.

Als een donderslag bij heldere hemel.